Pedagogische implicaties van spraak- en taalontwikkelingsstoornissen

Inleiding

Het onderwerp pedagogische implicaties van spraak- en taalontwikkelingsstoornissen kan van verschillende kanten worden belicht. We hebben een kind met een probleem, ouders die dat onderkennen, zich er zorgen over maken en vooral: er iets aan willen doen!
Al vanaf het moment dat er een probleem verondersteld wordt, verandert de vanzelfsprekende pedagogische omgang. Het gaat niet meer allemaal vanzelf. Er wordt nagedacht over huidige situatie en toekomst en dit levert emoties op.
Vanuit die emoties willen ouders aan het werk. De vragen die meestal gesteld worden zijn:

_ Wat hebben wij fout gedaan
_ Hoe kunnen we ondersteunend en stimulerend met ons niet goed sprekende kind omgaan, zodat de taal zich in een positieve richting kan ontwikkelen.
_ Wat zijn de consequenties voor de toekomst

Op deze drie vragen wil ik nu nader ingaan.

 

WAT HEBBEN WIJ FOUT GEDAAN?

Niets!
Spreken is een proces dat zich ontvouwd zonder dat er speciale oefeningen voor worden gedaan. Het gaat bij de meeste kinderen vanzelf en spelenderwijs. Bij een minderheid van de kinderen verloopt dit proces niet- vanzelfsprekend. Een dergelijke niet-vanzelfsprekend proces is meestal het gevolg van factoren die n het kind besloten liggen.
Soms zijn deze factoren op te sporen en te verhelpen of te verbeteren, bijvoorbeeld een verminderde gehoorscherpte, extreem druk gedrag (ADHD) of afwijkingen aan de spraakorganen (lip-kaak en/of gehemeltespleet).
Soms zijn de factoren niet maar zo te verbeteren, bijvoorbeeld het vermogen tot leren of de genetische aanleg voor taal.
Bijna nooit zijn de ouders er de oorzaak van dat het spraak- en taalverwervingsproces bij kinderen niet goed verloopt. Zij worden opeens geconfronteerd met een kind dat niet gaat praten of anders gaat praten dan andere kinderen en dat is een schrik. Dat is ook niet verwacht! Dat levert reacties op. Ouders verwoorden dit op de volgende manier: "sneu gevoel", "jammer voor het kind", "bang", "bezorgd", "machteloos".

OMGANG MET HET KND

De omgang met het kind kan op basis van de zojuist beschreven emoties van verdriet en bezorgdheid minder spontaan gaan verlopen. Wanneer dat gebeurt is dat echter jammer. Kinderen, ook zorgenkinderen, gedijen het beste bij ouders die onbevangen en spontaan kunnen reageren. In algemene zin speelt in de omgang tussen ouders en kind het gesprek een belangrijke rol. Opvoeden betekent: inleiden in betekenissen. Het betreft een inzicht gevend proces waarbij kennis en morele waarden worden overgedragen. Het doel van de opvoeding is dat een kind uitgroeit tot persoon met een zelfverantwoordelijke zelfbepaling, hetgeen zoveel betekent als keuzen kunnen maken in het leven en hier ook voor staan.
In het predagogische gesprek leren kinderen van alles over taal, de wereld om hen heen, de heersende gewoonten, de normen en waarden dien in het gezin en daarbuiten worden gehanteerd en de sociale codes. De opvoeder wil iets aan het kind leren, maar moet tegelijkertijd rekening houden met het eigen karakter van het kind. De opvoeder heeft tot taak het kind te leren persoon te wroden en het kind als persoon te betrekken op de wereld. Bij jonge kinderen zal een pedagogisch gesprek veelvuldig gebruikt worden om aan te geven en verduidelijken dat bepaald gedrag niet (geheel) geaccepteerd kan worden. Bijvoorbeeld, wanneer een kind steeds aandacht vraagt zal een van de ouders op een moment moeten uitleggen dat dit niet kan: "Nee schat, nu moet je even zelf spelen. Strakjes heb ik weer tijd voor jou". Het is hierbij belangrijk dat het kind ervaart dat aan hem of haar niets mankeert, maar dat het gedrag even anders moet.

De omgang met kinderen met spraak- en taalproblemen.

Natuurlijk is er bij uw kind een probleem en er moet hulp gezocht woden. Op het kind toegesneden hulp, gekozen op basis van multidisciplinaire diagnostiek, helpt het kind het probleem te overwinnen of minder ernstig te maken.
De belangrijkste leidraad lijkt mij te zijn dat ouders geen therapeuten zijn. Dat moet u ook vooral niet worden!. Blijf dus als 't u blieft spontaan en open naar uw kind! Ook bij kinderen met taalproblemen moeten we niet vergeten dat we, ondanks dat, toch gewoon met elkaar in gesprek kunnen zijn.
Naarmate de taalproblemen van een kind ernstiger zijn wrodt de omgang tussen ouders en kind natuurlijk wel moelijker maar, probeer het niet op te geven en oefen u in GEDULD.
Dit geduld zal zowel nodig zijn in de omgang met het kind als in de omgang met hulpverleners. Geduld om te begrijpen wat uw kind zegt en mogeijk ook geduld met het gedrag van uw kind. Geduld om met hulpverleners in discussie te gaan over het wel of niet opvolgen van een advies.
Geduld is een eigenschap die u, misschien helaas, zult moeten ontwikkelen.
Een tweede belangrijk uitgangspunt is dat de omgeving voor een kind zo is ingericht dat er geen overdaad aan prikkels is. Rust en regelmaat bieden het kind een structuur. Binnen die structuur worden prikkels aangeboden waardoor het kind zich kan ontwikkelen. Die prikkels moeten niet te veel en niet te weinig zijn.

Taalstimulerende omgang met het kind met spraak- en taalproblemen.

In de taalstimulerende omgang zijn een aantal uitgangspunten van belang:

Vanuit luisteren een gesprek aangaan
Kinderen vertellen veel en vragen veel. Hierop kan zowel inhoudelijk gereageerd worden als ook taalkundig.
Het is belangrijk dat de inhoudeijke reactie voor het besef van het kind voorop staat en dat de taalkundige correctie is "verstopt" in de manier waarop volwassenen de antwoord-zin formuleert.

Betekenissen uitbreiden
Betekenissen uitbreiden is op alle terreinen waarop het kind zich ontwikkelt belangrijk. Wat betekenen begrippen, wat betekenen emoties en hoe helpen we het kind om onderscheid te maken tussen fantasie en werkelijkheid.
Betekenissen kunnen verder aan het het kind overgedragen wroden aan de hand van allerlei spelmatriaal: puzzels, lotto's, wereldorientatiematriaal enzovoorts. Echter ook het oefenen van allerlei praktische vaardigheiden als knippen en plakken nodigen uit tot verbalen uitleg en daarmee tot het uitbreiden van de woordenschat.

Voorlezen
Voorlezen en vertellen zijn belangrijke methoden om de taalontwikkeling van kinderen te stimuleren. Op een gezellige manier wordt taal aangeboden, meestal zit het kind bij een van de ouders op schoot, of wanneer het voorlezen in de schoolgroep gebeurt, dan zitten de kinderen in een knussen kring om de leerkracht heen. Het is belangrijk dat de verhalen aansluiten bij de belevingswereld van het kind. In de kleuterperiode zijn boeken die kennis kunnen uitbreiden belangrijk, bijvoorbeeld hoe bepaalde dingen gemaakt worden, wat in winkels kan worden gekocht, wat er allemaal groeit en bloeit in het bos, enzovoorts. Daarnaast is het belangrijk dat de verhalen kunnen inspelen op de fantasiewereld van het kind. Schrijvers van kinderboeken geven hieromtrent een keur van mogelijkheden.

Rijmen en zingen
Rijmen en zingen geven kinderen inzicht in de klankpatronen en melodie van de taal. Bovendien helpen rijmpjes en versjes het talige geheugen op te bouwen en wordt de auditieve waarneming getraind door de minimale klankverschillen die juist de lol van het ruimpje of versje betekenen.

Consequenties voor de toekomst

Vaak wordt gedacht dat kinderen met spraak- en taalproblemen ook problemen krijgen op ander gebied, zoals de sociaal- emotionele problemen en lees- en schrijfproblemen. Gelukkig is dit niet altijd het geval.

Sociaal-emotionele ontwikkeling

Wat sociaal-emotionele ontwikkeling is wordt in de literatuur nergens duidelijk. Welke gedragingen horen bij een goed verlopende sociaal emotionele ontwikkeling, welke mijlpalen moeten op welke leeftijd ongever beheerst worden? Hoe moet het woord sociaal-emotioneel geinterpreteerd worden? Is er eerst sociaal gedrag, dat wil zeggen interacties tussen ouders en kinderen waarop zich emoties ontwikkelen, of is er eerst emotie waarop gedrag wordt gebaseerd? Zijn emoties gebaseerd op een aangeboren temperament of ontwikkelen emoties zich?
Analyse van de literatuur van 1950 to 1997 geeft ons hierop geen antwoord. Er worden alleen eindtermen genoemd, die woorden omvatten als: zelfvertrouwen, nieuwsgierigheid, vastbeslotenheid, zelfcontrole, verbondenheid, behulpzaamheid, empathie, stressbestendigheid, assertiviteit en verantwoordelijkheidsgevoel. In advertenties voor diverse beroepen wordt in deze zin meestal gesproken van "goede communicatieve vaardigheden".

Meestal wordt een indruk omtrent de stand van de sociaal-emotionele ontwikkeling afgeleid vanuit het gedrag dat het kind veroont. Wanneer we op die manier de literatuur bekijken valt op dat kinderen met spraak- en taalproblemen die jonger zijn dan 6 jaar zich, als groep, niet anders gedragen dan leeftijdsadequaat sprekende kinderen. Dit betekent niet dat een individueel kind wel een gedragsprobleem kan vertonen, maar het gaat erom dat bij kinderen met taalstoornissen niet meer gedragsproblemen voorkomen dan bij leeftijdsadequaat sprekende kinderen. Ook binnen die groep kunnen zich gedragsproblemen voordoen: 10% van alle kinderen heeft een gedragsprobleem.
Bij oudere kinderen met spraak- en taalproblemen komt ongeveer in de helft van de gevallen een gedragsprobleem voor. Let wel: in de helft van de gevallen dus ook niet!!
Dit betekent dat een taalstoornis op zichzelf niet zonder meer een gedragsprobleem tot gevolg heeft. Andere factoren zijn hierop ook van invloed.

Leerproblemen

Ook de relatie tussen leerproblemen en spraak- en taalproblemen is minder duidelijk dan algemeen wordt aangenomen. Over het algemeen vertonen jonge kinderen nog geen leerproblemen op basis van een spraak- taalprobleem. De verbale en de niet-verbale cognitieve vaardigheden kunnen nog goed van elkaar worden onderscheiden.
Niet zelden horen we van ouders dat hun kind op school in alle werkjes goed mee kan komen en alleen het spreken een probleem is. Dit kan vervolgens uitgedrukt worden in een onvoldoende score op een taaltest en gemiddelde tot hooggemiddelde prestaties op een niet-verbale test.
Bij oudere kinderen gaan taalscores en niet-verbale scores meer naar elkaar toegroeien. Vroegtijdige onderkenning en behandeling van spraak- en taalproblemen is dan ook van groot belang om leerstoornissen bij kinderen te voorkomen.
Wat ook van invloed is, is de aard van de spraak- en taalproblematiek. Kinderen met uitspraakstoornissen bijvoorbeeld hebben minder kans op een leerprobleem dan kinderen met taalstoornissen. Binnen de groep van kinderen met taalstoornissen hebben kinderen bij wie alleen de taalproductie een probleem is vaak een beter schoolloopbaan dan kinderen bij wie ook het taalbegrip onvoldoende is.

Besluit

Kinderen met spraak- en taalproblemen verdienen net als alle andere kinderen een pedagogisch gesprek met hun ouders. Hierdoor worden ze betrokken op de wereld om hen heen, leren ze waarden en normen en leren ze hoe ze zich in taal en gedrag uit moeten drukken. Dit pedagogische gesprek zal niet altijd even gemakkelijk zijn. Er wordt een beroep gedaan op uw geduld en u moet er uitgerust aan beginnen.
Toch is het mogelijk. Het gesprek start met te luisteren naar uw kind. Vandaaruit komt het gesprek op gang en kunt u het juiste taalaanbod geven, betekenissen uitbreiden en het kind pedagogisch begeleiden. Wanneer het gesprek open en spontaan kan worden gevoerd hoeft u al minder bang te zijn voor stoornissen in de sociaal-emotionele ontwikkeling.
Wanneer de taalproblematiek van uw kind tijdig wordt onderkend en er tijdig toegesneden hulp kan worden geboden hoeft u ook niet al te snel bang te zijn voor verstoringen in het leerproces.
Ondanks de zorgen en emoties die u ongetwijfeld hebt, zou het leidmotief moeten zijn:

Wat en hoe hij
ook eenmaal worden zal

nu is hij zo
jaag hem niet op
koester hem
elke dag is er een

jaag hem niet op
nu is hij zo
en nooit meer zo

(Otto Dicke/Hans Bouma)

 

Prof. dr. S.M. Goorhuis-Brouwer
afd. KNO/CSK
Academisch Ziekenhuis Groningen