Artikel uit FOSS-TAAL 2007/4 (http://www.foss-info.nl/)

"Zorg aan kinderen met een taalstoornis”

Mildred Gielen en Romain Buekers

Een werkbezoek van de FOSS in Hoensbroek aan de Unit Taal van het Audiologisch Centrum én de Mgr. Hanssenschool is de aanleiding geweest voor de FOSS om ons te vragen een workshop te houden over de zorg aan kinderen met een taalstoornis. Op de FOSS-informatiedag van vorig jaar hebben wij hierover een presentatie verzorgd. Dit artikel is een bewerking en samenvatting van deze presentatie, waarin we de aanpak op het centrum en de school beschrijven. Belangrijke elementen hierin zijn de contacten met andere instanties in de regio en de gesprekken met ouders. De geboden zorg aan een kind komt nu eenmaal het beste tot zijn recht als de ouders doordrongen zijn van het nut en de noodzaak.

 

Taalprobleem is een relatief probleem.

Taalverwerving is niet iets wat op zichzelf staat. Het hangt samen (oorzaak en gevolg) met allerlei andere aspecten, te weten met medische aspecten (neurologie, motoriek, gehoor…), met gedrag (contact, autisme, hechting…), met verstandelijke mogelijkheden (van begaafd tot moeilijk lerend, verbaal en niet-verbaal…) en met gezinssituatie (taalaanbod, interactie of relatieproblematiek…). Hierdoor is een taal-probleem ook altijd een relatief probleem: de taalontwikkeling moet gewogen worden ten opzichte van de andere ontwikkelingsaspecten. Bij de laatste 400 kinderen (van 1 tot 6 jarigen) die wij verwezen kregen heeft 86% inderdaad een ernstig probleem met spreken en/of begrijpen, maar heeft 27% ook duidelijke gedragspro-blematiek. 30% van de kinderen is bijzonder op verstandelijk gebied: de helft van deze groep is verstandelijk beperkt, de andere helft is alleen verbaal zwak maar non-verbaal duidelijk beter. Men zal in de taalzorg altijd rekening moeten houden met de andere mogelijkheden of beperkingen van het kind. Een slechthorend kind heeft specifieke hulp nodig en de ontwikkeling blijft in de eerste plaats afhankelijk van de auditieve beperking en van bijvoorbeeld de mogelijkheden die hoortoestellen kunnen bieden. Een autistisch kind zal andere specifieke hulp moeten krijgen en zijn communicatie zal altijd “eigenaardigheden" blijven vertonen.

Samenwerking.

Door de goede samenwerking met Thuiszorg, Jeugdgezondheidszorg, KNO-artsen,kinderartsen en huisartsen zien wij veel twee- en driejarige kinderen waarvan vaak de ouders (of de peuterspeelzaal) signaleren dat er iets mis is met de spraak en taalontwikkeling. Uiteraard zien we ook veel vier- en vijfjarige kinderen en dan spelen de leerkrachten en logopedisten een belangrijke rol bij de signalering. Als wij de kinderen zien hebben de kinderen soms al therapie (of therapie gehad) maar blijft de ernst van het gebrekkig communicatief functioneren opvallend, valt het resultaat van therapie tegen of komen ook problemen op gebied van contact, gedrag of leren naar voren.

Resultaten van de diagnostiek.

Het spreekt voor zich dat wij ook ouders zien die wij kunnen geruststellen of verwijzers die wij kunnen aantonen dat het kind geen taalstoornis heeft of dat de taal/ spraakproblematiek deel uitmaakt van een bepaald syndroom. Maar bij heel wat ouders zal het adviesgesprek een slecht-nieuwsgesprek zijn:

  • -Niet alleen de taalontwikkeling is achter, maar de hele ontwikkeling is vertraagd. Hulpverlening vanuit de sector voor verstandelijk beperkten ligt dan voor de hand.
  • -De spraak van het kind is zo onverstaanbaar dat er een medisch probleem in de mond aanwezig is (bijvoorbeeld afwijking aan gehemelte).
  • -Voorlopig kan het kind niet leren praten en zal er gezocht moeten worden naar andere communicatievormen.
  • De taalontwikkeling is zo ernstig gestoord dat speciaal onderwijs met meer individuele aandacht noodzakelijk zal zijn.
  • Taal een probleem is maar gedrag en contact nog meer gestoord zijn zodat verwijzing naar Bureau Jeugdzorg/medisch kleuterdagverblijf eerste keus is.

Bij de jonge kinderen die wij zien kunnen verschillende vormen van ‘Vroegbegeleiding’gestart worden waarbij eerst getracht wordt ouders handvatten te geven in de omgang met hun kind. Soms worden ook voor het kind extra maatregelen getroffen zoals peuterspeelzaal, logopedie of diagnose-behandelgroep. Wanneer het taalprobleem pertinent aanwezig blijft, ondanks goede zorg, behoort een indicatie voor het speciaal onderwijs (ESM-school in cluster 2) tot de mogelijkheden. In een klein aantal gevallen zal Ondersteunde Communicatie (OC) noodzakelijk zijn: praten is voorlopig niet haalbaar dus worden aangepaste middelen gekozen om te communiceren.Een aantal begeleidingsvormen die in onze hulpverlening aanwezig zijn, zullen wij nu achtereenvolgens bespreken.

Ouderbegeleiding

De reden waarom we bij een groot aantal van de door ons gediagnostiseerde kinderen ouderbegeleiding adviseren is in de eerste plaats omdat alle kinderen – ook kinderen met een taalprobleem – leren op basis van normale, alledaagse conversaties die betrekking hebben op hun alledaagse belevingswereld. Via ervaringen en handelingen leren kinderen wat voor functies voorwerpen hebben en de relaties tussen voorwerpen en personen. Dit is ook zo bij kinderen met spraak- en taalproblemen, alleen moet deze benadering bij die kinderen iets bewuster worden toegepast.

Ten tweede hebben ouders de meeste invloed op de ontwikkeling van jonge kinderen. Via ouders bereik je de meeste en langdurigste effecten. De ’behandeling’ door ouders in de thuissituatie sluit dus het beste aan bij hun ontwikkeling.

Ten derde laat de interactie tussen ouders en kinderen met taalproblemen, vaak meer negatieve gedragskenmerken zien dan bij kinderen die een normale taalontwikkeling doormaken. Er zou zelfs sprake zijn van een relatie tussen de slechte kwaliteit van deze ouder-kind interactie en de ernst van het probleem. Indien deze ouder-kind interactie verstoord verloopt, zou dat aanleiding kunnen geven tot emotionele en gedragsproblemen bij het kind die zich onder meer kunnen uiten in een minder sterke hechting aan de ouders. Daarbij komt nog dat ouders de opvoeding van een kind met een taalprobleem vaak als zwaar ervaren. Uit recent onderzoek blijkt dat met name de onzekerheid over de opvoeding sterk samenhangen met de ernst van de problemen. De onzekerheid bij ouders van een kind met een taalstoornis kan nog eens versterkt worden door de omgeving: “praat hij nu nog niet?’’

Als vierde wordt ouderbegeleiding soms ook als preventieve behandeling ingeschakeld. Zelfs als de communicatie tussen ouders en hun kind met een taalprobleem op het moment van het onderzoek nog functioneel is, hebben sommige ouders hulp nodig om dit zo te houden. Ouders hebben snel de neiging om hun kind met een taalprobleem op een directe manier te benaderen (“zeg eens chips!”). Hierdoor gaat aanvankelijk de kwaliteit van de communicatie dalen omdat het eenrichtingsverkeer wordt. Maar gaandeweg gaat ook het taalaanbod naar het kind verminderen want “hij zegt het toch niet”.

Tenslotte is ouderbegeleiding een omkeerbaar proces waarbij gebruik gemaakt wordt van tips en training. Adviseren alleen is voor een aantal ouders niet voldoende want een gedragsverandering bereik je niet zomaar.

Communicatie ouder-kind

Samengevat kunnen we stellen dat het doel van de ouderbegeleiding is de communicatie tussen ouder en kind te behouden en/of herstellen en de taalverwerving van het kind verder op gang te brengen. Om de taalverwerving van hun kind op een indirecte manier te stimuleren gebruiken wij de methodiek van de Hanen Ouder Cursus. De Hanen Ouder Cursus bestaat uit drie elementen: informatie, vaardigheden en steun van andere ouders. De informatie wordt door de cursusleider aangeboden en gaat over de normale taalontwikkeling, de verschillende communicatieniveaus en communicatiestijlen. Hierbij worden de VATprincipes gehanteerd (Volgen, Aanpassen, Toevoegen) waarbij het kind zo veel mogelijk wordt uitgenodigd om te communiceren en taal te gaan gebruiken. De vaardigheden worden concreet uitgelegd en geoefend aan de hand van videofragmenten, rollenspelen en huisbezoeken. Door de steun van andere ouders in de groep ontstaat het gevoel van “wij zijn niet alleen”. Daarnaast krijgen en geven de ouders ook veel tips aan elkaar waardoor ze minder afhankelijk worden van de cursusleider.

‘Ik ben niet de enige’

Als we de evaluatieformulieren van ouders bekijken naar aanleiding van zowel de uitgebreide "Hanen Ouder Cursus als de verkorte Ouder Advies Bijeenkomsten, blijken ouders, naast de direct toe te passen principes en strategieën die ze aangereikt hebben gekregen en waar ze mee hebben kunnen oefenen tijdens de bijeenkomst, vooral de uitwisseling van ervaringen te waarderen. Ook het gevoel van “ik ben niet de enige” zorgt voor meer ontspanning en meer energie om er weer aan te gaan werken. Individuele logopedische therapie wordt door ons zeker niet als overbodig beschouwd. Heel wat kinderen krijgen trouwens na afloop van de oudercursus logopedische behandeling. Wat we wel zien is dat kinderen na de ouderbegeleiding meer plezier in taal gekregen hebben en daardoor ook meer open staan voor de logopedische begeleiding. Kinderen krijgen thuis ook een beter klimaat om taal te leren omdat ouders begrijpen waarom bepaalde oefeningen gedaan worden. Tenslotte kan, doordat er thuis aan de algemene taalvoorwaarden gewerkt is, het accent van de logopedie verschuiven naar het meer vormelijke aspect van de taal (zoals articulatie, zinsbouw) waardoor de therapie gerichter en korter wordt. Kortom na de ouderbegeleiding bereik je vaak een betere samenwerking en wisselwerking tussen ouders en logopedist.

Logopedie

Particuliere logopedie is voor veel ouders bekend. Een à twee keer per week gaat een kind met een taalprobleem naar de logopedist die op een meer directe manier werkt aan de specifieke uitvallen van het kind op vlak van klankvorming, zinsbouw, woordenschat, etc. Vaak krijgen ouders ook opdrachten mee om thuis met hun kind te oefenen. Voor een bepaalde groep kinderen is een tijdje logopedische begeleiding voldoende om de taalverwerving een duwtje in de rug te geven. Zij kunnen na een half jaar of een jaar dan ook stoppen omdat de taalproblemen opgelost zijn. Wanneer er echter na een (half) jaar nog steeds onvoldoende vooruitgang is, kan het zijn dat het kind meer gebaat is bij een ’taalbad’ in een gespecialiseerde therapie (de diagnose – behandelgroep) of bij plaatsing op een spraak-/taalschool.

Diagnose- en Behandelgroep

Kinderen tussen 2 en 5 jaar met een forse communicatieve beperking waarbij enkelvoudige logopedische behandeling niet afdoende blijkt, kunnen een intensieve vorm van behandeling krijgen. Van de ouders zal engagement gevraagd worden en hierbij worden principes van de Hanen Ouder Cursus toegepast. Bij de kinderen wordt de communicatie veel systematischer ondersteund, bijvoorbeeld met het gebruik van picto’s. Onder leiding van een behandelcoördinator en met logopedist, pedagogisch begeleider in de groep, ouderbegeleider, een gedragswetenschapper en een fysiotherapeut probeert men de communicatieve ontwikkeling te stimuleren en bijkomende factoren die het algeheel of sociaal-emotioneel functioneren belemmeren te verminderen.

Cluster 2 onderwijs,
slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraak-/taalmoeilijkheden (ESM)

Kinderen die extra hulp krijgen vanuit het Cluster 2 onderwijs zijn leerlingen met een specifiek taalprobleem, maar vaak is bij deze kinderen ook sprake van bijkomende problematiek: auditieve verwerkingsproblemen, een disharmonische intelligentie, een stoornis in het autisme spectrum, ADHD , een taalzwak milieu, leerproblemen. Deze kinderen hebben ook vaker sociaal – emotionele problemen zoals faalangst, isolement (zich eigen makend), een verstoorde ouder-kind interactie, agressie. Om een oplossing te bieden aan bovenstaande problemen hanteren de meeste Cluster 2 scholen twee belangrijke principes: het realiseren van een veilig en stimulerend klimaat en een communicatieve interactieve benadering. Daar waar de gewone basisschool ervan uitgaat dat de taalvoorwaarden bij het kind aanwezig zijn, wordt er op Cluster 2 – scholen eerst stilgestaan bij deze voorwaarden. Iedere communicatieve poging van het kind wordt beloond met een reactie. Er wordt veel gebruik gemaakt van informele leermomenten en de leerlingen worden op een indirecte manier verbeterd. Dit alles zorgt voor positieve leerervaringen en een veilig en stimulerend klimaat. De communicatieve interactieve benadering houdt in dat de leerkrachten en klassenassistenten tijdens de lesmomenten maar vooral tijdens de alledaagse momenten zoals eten en pauzes hun taalaanbod gaan aanpassen en afstemmen op het taalniveau van het kind. Er wordt veel gewerkt met visualisering via foto’s en pictogrammen. Op die manier wordt de omgeving voorspelbaarder en gaan de kinderen sneller proberen deel te nemen aan de interactie. Aangezien het leren van taal bij deze kinderen veel minder terloops en vanzelfsprekend gebeurt, gaan de leerkrachten en klassenassistenten juist ook veel explicieter benoemen wat de kinderen doen, waarnemen en voelen. Op de Mgr. Hanssenschool in Hoensbroek is de afgelopen 3 jaar veel tijd gestoken in “interactief taalonderwijs”. Dat gebeurt door het uitbreiden van kringgesprekken, het stimuleren van het fonologisch bewustzijn (de functie van klanken in het taalsysteem), het woordenschat -onderwijs volgens de vier stappen van Verhallen en de verteltafel. We lichten dit achtereenvolgens kort toe:

1. Kringgesprekken
Zoals eerder vermeld leren kinderen met taalproblemen minder terloops waardoor ze dus ook veel minder informatie oppikken. Het doel van de kringgesprekken is de kinderen meer te laten communiceren om meer en nieuwe informatie te verwerven. Daar waar kinderen in het reguliere onderwijs meestal één à twee keer per dag in de kring zitten, gebeurt dit in cluster 2 – scholen meerdere keren per dag.

In de praatkring bespreken de kinderen en de leerkracht een onderwerp, praten een conflict uit of lossen een probleem op. Kinderen leren in deze kring hoe ze een gesprek moeten voeren en de situatie bepaalt meestal het onderwerp. In de vertelkring mogen kinderen verbaal of non-verbaal iets vertellen over hun ervaringen. Kinderen vertellen over iets dat hun bezighoudt, wat ze gedaan hebben of over iets wat ze naar school meegenomen hebben. De leerlingen bepalen hier dus zelf het onderwerp. In de leerkring geeft de leerkracht de leerlingen informatie over en een instructie voor een volgende lesactiviteit. In deze kring worden ook activiteiten gedaan gericht op taalstimulering ( rijmen, auditieve spelletjes, letterkennis, woordenschat,…).

2. Fonologisch bewustzijn in voor de kinderen betekenisvolle situaties
Door bezig te zijn met boeken, versjes, schrijf-materiaal gaan kleuters spontaan met woorden en klanken spelen. De meeste kleuters worden zich zo geleidelijk bewust van de klankstructuur van taal; met andere woorden, ze ontwikkelen een fonologisch bewustzijn. De gangbare onderwijspraktijk op het gebied van het stimuleren van het fonologisch bewustzijn staat meestal in het teken van het oefenen op een bepaald aspect, bijvoorbeeld op eindrijm. Kinderen voeren doorgaans losse taaloefeningen uit zonder dat er sprake is van betekenisvol leren. Juist bij het stimuleren van fonologisch bewustzijn leidt het leren binnen een betekenisvolle situatie tot goede mogelijkheden om meer balans aan te brengen in het leerstofaanbod. Via uitvergrote teksten (versjes) rond het klassenthema wordt met de

kleuters op zoek gegaan naar zinnen, woorden, letters. Een aantal woorden van het versje worden gevisualiseerd met picto’s. Er wordt gezocht naar lange en korte woorden en naar dezelfde woorden. De bedoeling is niet dat de kinderen leren lezen maar wel dat ze zich bewust worden van de geschreven taal.

Taalpoppen
De taalpoppen maken de kinderen attent op bepaalde kenmerken van gesproken taal. De aandacht van de kinderen verschuift hiermee van de inhoud van de woorden naar de klanken waaruit deze zijn samengesteld. ‘’Lotte Langzaam’’ spreekt in lettergrepen , ‘’Klaas Klank’’ in losse klanken en ‘’Tijm Rijm’’ gebruikt steeds eindrijm in zijn zinnen.

ABC-doos
Er wordt ook gewerkt met de ABC doos. Per thema staat er één klank/letter centraal en alle afbeeldingen, voorwerpen van woorden waar deze letter in voorkomt worden in de doos verzameld. Ook deze woorden hebben eerst betekenis gekregen voor de kinderen tijdens een betekenisvolle context zoals een gespreks-, spel-, lees-, of schrijfactiviteit.

3. Het woordenschat onderwijs volgens de stappen van Verhallen.
De meeste kinderen in het Cluster 2 onderwijs hebben zowel moeite met de kwantiteit als de kwaliteit van hun woorden. Ze kennen er te weinig en de woorden die ze kennen zijn vaak allesomvattend en algemeen. Door de ervaringen van de kinderen met al hun zintuigen te koppelen aan de woorden waarmee dergelijke ervaringen weergegeven worden, wordt geprobeerd om woordnetwerken bij de kinderen tot stand te brengen. De kinderen mogen ruiken, voelen, luisteren en eventueel proeven van concrete voorwerpen die met het klassenthema te maken hebben. Hiervan worden foto’s en picto’s gemaakt die in een spinnenweb op het schoolbord geplaatst wordt. Samen met de kinderen worden tussen deze woorden de verschillen en de overeenkomsten uitgelegd en uitgebeeld. Vervolgens komen deze woorden terug in de verschillende activiteiten – hoeken in de klas ( bouwhoek, poppenhoek, spelletjes, schrijfhoek). Het doel hiervan is de woorden te laten inslijpen. Tenslotte wordt aan het einde van het thema gecheckt of de kinderen de woorden begrijpen en of ze deze zelf kunnen gebruiken.

4. De verteltafel
Op een verteltafel wordt de inhoud van een voorgelezen verhaal driedimensionaal in beeld gebracht. Poppen en voorwerpen die een rol spelen in het verhaal, geven de kinderen de mogelijkheid het verhaal na te spelen. De verteltafel komt tegemoet aan de behoefte van kinderen om spelend en handelend bezig te zijn en zo nieuwe dingen te leren. Kinderen luisteren eerst naar het verhaal en beelden dit uit met de personages. Wanneer het verhaal een aantal keer verteld is, verwoorden de kinderen zelf wat de personages doen en wat er gebeurt.

Ondersteunende Communicatie
Soms moeten kinderen communicatie nog ontdekken, hebben ze nog niet ervaren dat een geluid, een beweging, een plaatje een intentie of een bedoeling heeft. Meestal hangt de communicatieve beperking dan samen met een andere beperking: verstandelijk of motorisch of sociaal (bijvoorbeeld autisme). De omgeving begint dan soms ook met te hoge eisen die het kind niet aankan of reageert niet op de signalen die het kind toch geeft. Zo zijn er natuurlijke gebaren (eten, drinken, slapen) maar ook geleerde gebaren (zoals voor opa of auto). Verder zijn er grafische symbolen. Als volwassene kennen we allemaal het schrift, maar kinderen kunnen al wijzen naar foto’s, afbeeldingen en pictogrammen. Uiteraard start dit eenvoudig en direct herkenbaar. De kinderen leren reageren door te wijzen of door op een knop te drukken waarna een afbeelding of een boodschap in digitale spraakuitvoer volgt. Uiteraard is de stap van een lowtech hulpmiddel naar een hightech hulpmiddel (een computer) nog een hele stap. Aanpassingen kunnen steeds individueel en systematisch uitgebreid worden. Tegenwoordig zijn deze hulpmiddelen klein en licht en draadloos. Sinds we met zijn allen SMS’en realiseren we ons eens te meer dat je niet hoeft te praten om iets te zeggen.

Romain Buekers is als spraak-/taalpatholoog verbonden aan de Unit Taal van het Audiologisch Centrum Hoensbroek.
Mildred Gielen is als logopediste aan dit centrum en aan de Mgr. Hanssenschool